Klimaatverandering (E1)
Klimaatverandering beïnvloedt de waarde van Alliander gezien de centrale positie in de energieketen. Energie-infrastructuur is de belangrijkste faciliterende schakel in de energieketen voor de overgang naar een duurzame, koolstofarme energievoorziening. Onze netbeheeractiviteiten zijn gericht op distributie van elektriciteit, gas en warmte en de verduurzaming van het energiesysteem. Alliander heeft geen bedrijfsactiviteiten in relatie met de fossiele energiedragers steenkool en olie en investeert daar niet in.
Stakeholderverwachting
Als netbeheerder hebben wij via onze energiesystemen een directe en indirecte impact op klimaat. Gedistribueerde energie is gedeeltelijk van fossiele herkomst en deze draagt bij aan klimaatgerelateerde impact op onze stakeholders. Zij verwachten van Alliander een actief beleid gericht op een maximale bijdrage aan de doelstellingen van de energietransitie en beperking van klimaatgerelateerde emissies. Hiertoe voert Alliander verschillende acties uit gericht op beperking van de impact op klimaatverandering waarmee we rekening houden met stakeholderbelangen. Zo werken we samen met organisaties en niet-gouvernementele organisatie (ngo's) die zich inzetten voor de transitie naar een duurzame energievoorziening. Internationale klimaatdoelstellingen zoals vastgelegd in het klimaatakkoord van Parijs uit 2015 en de verdere uitwerking daarvan in het Nederlands Klimaat- en Energieakkoord zijn hiervoor het vertrekpunt. Alliander werkt aan de uitvoering van dit beleid.
Beleid en aanpak
Alliander werkt in lijn met het SBTi om klimaatgerelateerde emissies in onze bedrijfsvoering en de ketens te beperken. Het sturen op klimaatgerelateerde emissies volgens het reductiepad van het SBTi is onderdeel van onze strategie. Op basis daarvan is een plan van aanpak opgesteld, inclusief transitieplan om tot 2030 op onze klimaatimpact te sturen. Dit plan is medio 2025 goedgekeurd door de RvB. Begin 2025 hebben we de impact van klimaatverandering op onze bedrijfsmiddelen (‘activa’) verkend.
De KPI CO2-uitstoot is onderdeel van het dashboard van de hoogste bestuursorganen. Deze KPI betreft de scope 1, 2 en 3-uitstoot van de eigen bedrijfsvoering en wordt daarnaast weergegeven op basis van de emissie na inzet van vergroening. Hierover wordt per kwartaal gerapporteerd. Jaarlijks stellen we CO2-budgetten vast per scope. Alliander rapporteert over alle emissiecategorieën die materieel zijn voor haar eigen bedrijfsvoering en een deel van de keten.
Het klimaatbeleid en de implementatie worden aangestuurd door de CO2-stuurgroep, waarin portefeuillehouders van bedrijfsonderdelen met de belangrijkste klimaatthema's deelnemen. De CO2-stuurgroep stuurt bij aan de hand van de kwartaalrapportages. De voortgang van beleid, doelen en acties wordt periodiek geëvalueerd. De ontwikkeling van materiële klimaatimpact, risico's en kansen kan aanleiding geven voor het bijsturen op de doelstellingen.
Alliander stelt periodiek een Energiemanagementplan op dat is gericht op de eigen organisatie en ketenemissies. Dit plan is onderdeel van de CO2-Prestatieladder, waarop Alliander jaarlijks wordt geaudit door Kiwa. In het energiemanagementplan bundelen en integreren we de verschillende acties, activiteiten en maatregelen gericht op emissiereductie bij Alliander en ketenpartijen. De bedrijfsdoelstellingen voor CO2, netverlies, gebouwen en mobiliteit zijn vastgesteld door de Raad van Bestuur van Alliander.
Groenfinanciering maakt deel uit van het financieringsbeleid. Alliander heeft de mogelijkheid om zowel obligaties als ECP uit te geven, waarvan de opbrengst wordt gebruikt voor de investering in activa die nader zijn gedefinieerd in het Green Finance Framework. Daarnaast beschikt zij over een gecommitteerde Sustainability Linked kredietfaciliteit. Deze financieringsstructuur stimuleert Alliander met financiële prikkels duurzame investeringen te doen en een duurzame bedrijfshuishouding te voeren.
Governance
Energietransitie, klimaatmitigatie en -adaptatie zijn een integraal onderdeel van onze strategie en doelen. De voortgang van doelen uit het businessplan wordt gemonitord via de kwartaal- en jaarrapportages. Doelbereik en uitvoering worden hierbij besproken met het management en de proceseigenaren. De SBTi doelstellingen voor 2026 - 2030 zijn input voor de businessplannen van betreffende afdelingen voor de komende jaren.
De doelstellingen maken deel uit van het dashboard van de hoogste bestuursorganen. De aanpak wordt jaarlijks goedgekeurd door de directeur Corporate & Social Affairs. Op grond van Nederlandse wetgeving bij publieke bedrijven, zoals Alliander, is er geen sprake van financiële of andere prikkels in de beloning van directie en management van de organisatie.
Acties
De interne en externe validatie is afgerond voor de CO2-doelstellingen 2026-2030. Dit wordt toegelicht in de paragraaf Science Based Targets initiative.
We investeren in mitigerende maatregelen in onze bedrijfsvoering gericht op energiebesparing en efficiëntie. Aanvullend investeren we in Garanties van Oorsprong (GvO's).
Het klimaattransitieplan is opgesteld voor 2026-2030 in samenwerking met betrokken afdelingen. Dit wordt toegelicht in de paragraaf Toelichting transitieplan.
De audit voor de CO2-Prestatieladder is afgerond (niveau 5). Dit wordt toegelicht in de paragraaf CO2-Prestatieladder.
Toelichting transitieplan
Het Alliander klimaattransitieplan is een strategisch plan waarin wordt beschreven hoe onze organisatie de overgang naar een duurzamer energiesysteem gaat maken. Het omvat concrete stappen, doelstellingen en maatregelen die we nemen om zowel de uitstoot van CO2 te verminderen (mitigatie) als ons aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering (adaptatie). Dit plan is essentieel om ervoor te zorgen dat we onze verantwoordelijkheid nemen voor een duurzame toekomst.
Mitigatie
Het integrale transitieplan 2026 – 2030 beschrijft onze plannen voor klimaatmitigatie binnen Alliander. In de paragraaf EU-taxonomie rapporteren wij de klimaatgerelateerde KPI’s voor investeringen en kosten op bedrijfsniveau. De KPI's zijn onderdeel van onze totale businessplanning en verantwoording. Uitgangspunten voor het transitieplan zijn:
Het transitieplan is afgestemd op de Alliander strategie.
Het transitieplan is in lijn met het raamwerk SBTi.
Het transitieplan is afgestemd op de planning- en budgetcyclus van Alliander. In onze financiële planning worden onze doelstellingen en activiteiten en maatregelen meerjarig vertaald naar budget.
In de budgetcyclus wordt beschikbaarheid van materialen en arbeidskrachten meegenomen en wordt een maakbaar werkpakket gepland.
Adaptatie
Klimaatrisico’s zijn geïntegreerd in de risicosystematiek en worden besproken op relevant afdelingsniveau. Belangrijke risico’s zijn overstroming, droogte en hitte, waarvoor weerprotocollen, herstelplannen en een geoefende crisisorganisatie zijn ingericht. Alliander werkt samen met Netbeheer Nederland en regionale partners aan adaptieve infrastructuur en noodplannen. Alle maatregelen zijn gebundeld in het Klimaatadaptatie kaderdocument, dat elke twee jaar wordt geactualiseerd en richting geeft aan operationele en organisatorische acties.
Klimaatmitigatie
Het overgrote deel van de CO2-emissie van de activiteiten van Alliander is direct gerelateerd aan de kerntaken distributie en transformatie van elektriciteit en gas. Deze kerntaken zijn tegelijkertijd van belang voor de realisatie van de energietransitie en daarmee voor het behalen van de nationale klimaatdoelen. Bijvoorbeeld door het aansluiten van duurzame energiebronnen op de energienetwerken en het faciliteren van de warmtetransitie. Onder mitigatie verstaan we het nemen van maatregelen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, zoals het gebruik van groene energiebronnen, het verbeteren van de energie-efficiëntie van onze netwerken en het verminderen van energieverbruik.
Impacts, risico’s en kansen
Negatieve impact – GHG-emissies uit fossiele energiedragers, bij gebruik voor interne en ketentoepassingen, dragen negatief bij aan klimaatverandering.
Potentiële negatieve impact – Uitbreiding en zwaardere belasting van het net leidt tot emissies en een toename van netverlies, wat negatief bijdraagt aan klimaatverandering.
Risico – Nieuwe regelgeving gericht op klimaatmitigatie leidt tot hogere kosten.
Risico – Het niet behalen van klimaatdoelen leidt tot hogere kapitaalkosten.
Kans – Inzet van innovatieve technieken in duurzame energievoorziening leiden tot omzetverhoging of kostenvoordelen.
Beleid en aanpak
Alliander hanteert een mitigatiebeleid gericht op het beperken van direct beïnvloedbare bedrijfsgerelateerde CO2e en het vergroenen van een gedeelte van CO2-emissies. Hierbij ligt de focus op:
Scope 1: netverlies gas, dienst- en leaseauto’s, SF6 lekkages, gebouwen en aggregaten.
Scope 2: elektrisch netverlies en indirecte emissies elektriciteits- en warmteverbruik in onze gebouwen.
Scope 3: woon-/werkverkeer en ingekochte goederen en diensten.
Om onze doelstelling te bereiken investeren we in mitigerende maatregelen in onze bedrijfsvoering gericht op energiebesparing en efficiëntie. Aanvullend investeren we in GvO’s. In 2024 heeft Alliander een nieuwe stap gezet in haar klimaatbeleid. Dit houdt in dat we ons primair richten op het verminderen en beheersen van klimaatgerelateerde emissies in plaats van het compenseren. Alliander was in 2025 in afwachting van de goedkeuring van haar SBTi doelstelling. Daarom is ervoor gekozen om een versimpeld reductiepad gebaseerd op het SBTi te volgen waarin wij organisatiebreed een gemiddelde reductie van 4,2% per jaar hebben vastgesteld. Onze voetafdruk over 2025 is als volgt:
Doelstellingen
Voor 2025 was de doelstelling maximaal 171 kton CO2-emissie uit eigen bedrijfsvoering en handhaven we onze ambitie om elektriciteit te vergroenen o.b.v. GvO’s. Voor elk van de scopes hanteren wij reductiedoelstellingen. Uitgangspunt voor klimaatmitigatie is dat we onze inspanningen richten op het faciliterend vermogen van ons energienet voor energietransitie en invoeding van duurzame energie en de beperking van de CO2-uitstoot van onze bedrijfsvoering.
De CO2-uitstoot van onze scope-2-activiteiten wordt berekend volgens de marktgebaseerde methode van het Greenhouse Gas protocol. Hierbij wordt rekening gehouden met de ingekochte GvO’s, die bepalen in welke mate de gebruikte elektriciteit als hernieuwbaar wordt beschouwd. In de tabel in paragraaf Klimaatgerelateerde emissies tonen we afzonderlijk het effect van de elektriciteitsverliezen en de vergroening door GvO’s.
Onze doelstellingen voor 2025 zijn opgesteld op basis van scope-indeling uit het Greenhouse Gas Protocol. Dit betekent dat wij doelstellingen hebben voor scope 1 en 2. Voor scope 3 is alleen een doelstelling opgenomen voor mobiliteit binnen de eigen bedrijfsvoering. Om alvast voor te sorteren op de nieuwe klimaatdoelstelling voor 2030 is het reductiepercentage voor de eerdere benoemde categorieën voor het jaar 2025 gebaseerd op het 1,5 graden scenario van het Parijs Klimaatakkoord zoals voorgeschreven door het SBTi.
Alliander hanteert als basisjaar voor vergelijking en rapportage over haar doelstellingen het jaar 2021. Sinds dat jaar hebben we onze totale voetafdruk aangevuld met een uitgebreide scope 3 analyse.
Science Based Targets initiative
De RvB heeft in 2025 besloten om de CO2-emissie doelstellingen 2026 - 2030 in lijn te brengen met de SBTi richtlijnen. Hiermee voldoen Alliander’s doelstellingen aan het Klimaatakkoord van Parijs uit 2015 onder het 1,5 graden-scenario. Gedurende 2025 waren we nog in afwachting van de SBTi goedkeuring, die later in 2025 is ontvangen. Daarom hanteerden we in 2025 een vereenvoudigd reductiepad conform SBTi met een organisatiebrede gemiddelde reductie van 4,2% per jaar. Deze validatie is eind 2025 goedgekeurd door de Target Validation Board van het initiatief. Dit houdt in dat onze volgende doelstellingen vanaf 2026 zijn goedgekeurd door het SBTi:
Wij stellen scherpere doelstellingen voor scope 1 en 2 waardoor er meer focus komt op reductie van emissies t.o.v. compensatie. Dit heeft bijvoorbeeld betrekking op significante uitstootbronnen zoals technische en administratieve netverliezen.
Wij stellen nieuwe ambities op een bredere groep scope 3-emissiecategorieën inclusief verbranding door eindgebruikers van gedistribueerd gas.
Wij stimuleren onze leveranciers om hun eigen emissies en die van hun keten te verlagen en om zelf wetenschappelijk onderbouwde CO2-doelstellingen te zetten.
98% van onze totale directe scope (scope 1 en 2) en indirecte scope (scope 3) emissies worden beheerst door het 1,5 graden-scenario pad van het Klimaatakkoord.
SBTi doelstellingen worden op internationaal en nationaal niveau omgerekend naar de maximale CO2-uitstoot per sector en per bedrijf. De impact is per bedrijfsonderdeel doorgerekend en op verschillende niveaus binnen de organisatie afgestemd. Dit heeft geleid tot een bedrijfsbreed klimaattransitieplan dat zal leiden tot de gewenste reductie in 2030. Alliander’s doelstellingen, in lijn met SBTi, zijn opgenomen in de tabel in paragraaf Klimaatgerelateerde emissies 2025.
In 2025 is een concept van de SBTi Power Sector Net-Zero guidance uitgebracht. In september 2025 heeft Alliander in samenwerking met de andere netbeheerders de verwachtte veranderingen en effecten zoals deze beschreven waren in deze standaard besproken. Hieruit is een gezamenlijke reactie gekomen die is gedeeld met het SBTi in deze consultatieronde. Wij volgen dit proces en zijn op de hoogte van mogelijke toekomstige wijzigingen die op ons van toepassing zijn.
CO2-Prestatieladder
De aanpak en vermindering van onze klimaatvoetafdruk toetsen we aan de criteria van de CO2-Prestatieladder. In 2025 hebben we het hoogste niveau (niveau 5) behouden.
In 2025 heeft Kiwa de werking en reikwijdte van ons certificaat geheel opnieuw beoordeeld en bevestigd. Eind 2025 is besloten om, met de komst van SBTi als leidende raamwerk, de CO2-Prestatieladder niet verder te continueren. De ladder heeft geholpen in het volwassen worden van ons CO2-management, maar is door de adoptie van SBTi grotendeels overbodig geworden.
Klimaattransitieplan en decarbonisatiehefbomen
Het klimaattransitieplan bevat concrete maatregelen en instrumenten, ook wel decarbonisatiehefbomen genoemd, die wij inzetten om onze CO2-uitstoot op de korte tot middellange termijn te verlagen. Deze hefbomen helpen ons om onze klimaatdoelen tot het jaar 2030 te bereiken en een positieve bijdrage te leveren aan de energietransitie. We zetten in op een combinatie van maatregelen en instrumenten.
Ontwikkeling CO2-emissies
Belangrijkste reductiemaatregelen scope 1 en 2 in kton CO2eq
Decarbonisatiehefbomen scope 1 + 2
Hernieuwbare energie – netverlies elektriciteit
Het netverlies bestaat grofweg uit drie onderdelen. Ongeveer de helft wordt veroorzaakt door transportverbruik: dit zijn verliezen die ontstaan tijdens het transport van energie, zoals de warmte die kabels en transformatoren afgeven. Daarnaast is ongeveer dertig procent van het netverlies toe te schrijven aan onbetaald verbruik. Dit omvat administratieve fouten in meet- en stamdata, situaties waarin verbruik niet aan een marktpartij is gekoppeld (zoals bij contractloos verbruik of leegstand), evenals diefstal en fraude. Tot slot bestaat ongeveer twintig procent uit netverbruik, het energiegebruik van apparatuur binnen het netwerk zelf, zoals meetapparatuur en transformatoren. Alliander heeft zich ten doel gesteld om uiterlijk in 2030 de CO2-uitstoot die samenhangt met de productie van elektriciteit ter compensatie van onze netverliezen volledig (100%) te reduceren door gebruik te maken van GvO’s.
Alliander zet actief in op het verlagen van technisch netverlies in het elektriciteitsnet door het toepassen van dikkere kabels, efficiëntere transformatoren en kortere tracés. De interne prijs van netverlies (PvN), waarin ook Alliander’s CO2-prijs van € 150 per ton is verwerkt, zorgt ervoor dat investeringen die leiden tot minder energieverlies en lagere uitstoot meer prioriteit krijgen in onze besluitvorming. Zo wordt CO2-reductie structureel meegenomen in technische en operationele keuzes, terwijl de daadwerkelijke impact mede afhankelijk blijft van de emissiefactor van de elektriciteitsmix en externe marktontwikkelingen.
Het verlagen van onbetaald verbruik binnen netverlies heeft continu de aandacht binnen Liander. Zo zijn er afdelingen bezig met het oplossen van contractloze aansluitingen, diefstal en fraude, zijn er diverse rapportages die gebruikt worden om de meet- en stamdata fouten te reduceren en zijn er lopende initiatieven om meer verbruiksinzicht te krijgen op bijvoorbeeld netkoppelpunten- en middenspanningsruimte niveau. Deze inzichten dragen bij aan het detecteren van meet- en stamdata fouten en het oplossen daarvan.
De CO2-emissies die voortkomen uit technisch en administratief netverlies worden voor 100% gecompenseerd door certificaten van GvO’s afkomstig uit Nederlandse bronnen.
Reductie netverlies gas – technisch
Methaanemissies als gevolg van technische netverliezen uit het gasdistributienet vormen een substantieel deel van onze directe uitstoot, mede doordat dit gas een significant sterker broeikasgas is dan CO2. Aardgas en groen gas, uit fossiele en biologische oorsprong bestaan voor een groot deel uit methaan, waardoor technische netverliezen direct bijdragen aan klimaatverandering. We hebben technische netverliezen onder andere door lekkages in ons gasdistributienet (door bijvoorbeeld ouderdom, bodemontzettingen, corrosie), maar ook door graafwerkzaamheden en werken aan ons gasnet (afblazen en affakkelen). Het reduceren van de technische netverliezen en daarmee de methaanemissies is essentieel om onze klimaatdoelstellingen te behalen.
Alliander conformeert zich aan de EU-Methaanverordening (2024) en past haar beleid hierop aan. In 2025 zijn we gestart met een innovatieve methode van lekdetectie: de inzet van de gaslekdetectieauto met slimme rekenmodellen. Deze auto, uitgerust met geavanceerde sensoren en rekenmodellen, detecteert methaan in de buitenlucht en bepaalt de uitstoot per lek in gram per uur. Dit stelt ons in staat om sneller en gerichter te handelen middels reparatie, maar ook om de omvang van de methaanuitstoot die vrijkomt uit ons netwerk beter in te schatten. Daarnaast zetten we het beleid voort om breuk- en corrosiegevoelige leidingen, zoals grijs gietijzer, versneld te vervangen. Het vervangen van deze leidingen doen we al op basis van afspraken met het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM). De netto emissiereductie van deze maatregel is echter beperkt en neemt verder af naarmate er meer lekken worden gerepareerd en door de verordening de lekzoekfrequentie op deze materialen verder omhoog gaat.
Hoewel volledige eliminatie van methaanemissies niet haalbaar is zolang het gasnet operationeel blijft, is het onze intentie deze emissies voldoende te laten dalen in 2030. Wij verwachten dat het jaarlijkse reductiepercentage vanaf 2026 zal toenemen, doordat de uitrol van de nieuwe methode het prioriteren van gaslekreparaties effectiever maakt.
Reductie netverlies gas – administratief
Administratief netverlies ontstaat wanneer gas niet fysiek verloren gaat, maar niet correct wordt toegerekend aan eindgebruikers. Dit kan het gevolg zijn van meetfouten, foutieve of geen opgave van traditionele meters, contractloze aansluitingen of energiefraude. Hoewel deze verliezen minder zichtbaar zijn dan fysieke lekkages, dragen ze wel bij aan onze CO2-voetafdruk zodra het gas wordt verbrand. Alliander is als netbeheerder verantwoordelijk voor het inkopen van netverliezen en het afhandelen van administratief netverlies.
Wij onderzoeken momenteel verschillende aanpakken voor het terugbrengen van administratief netverlies gas. Bijvoorbeeld hoe wij meer verbruik zonder contract kunnen factureren en toewijzen aan de daadwerkelijke eindgebruiker, zodat de bijbehorende CO2-uitstoot terechtkomt waar deze wordt gecreëerd. Daarnaast volgen we de ontwikkeling van groene gascertificaten en de bijmengverplichting vanaf 2027, om te verkennen hoe deze kunnen bijdragen aan verdere reductie en compensatie van administratief netverlies. Op basis van de genoemde maatregelen zijn verschillende scenario's uitgewerkt die leiden tot het gewenste reductiedoel. Net als bij technisch netverlies achten we het op basis van ons transitieplan realistisch dat de benodigde reductie in 2030 t.o.v. 2021, haalbaar is voor dit onderdeel.
Inzet aggregaten
Door toenemende netcongestie worden aggregaten steeds minder vergoed voor klanten en zetten wij deze zelf alleen bij hoge uitzondering in. Wanneer een aggregaat noodzakelijk is, wordt uitsluitend HVO-brandstof gebruikt. Dit heeft al geleid tot een emissiereductie en zal richting 2030 resulteren in een nagenoeg volledige emissiereductie.
Duurzame mobiliteit
Alliander streeft naar een duurzame mobiliteitsstrategie, waarbij elektrificatie van het wagenpark centraal staat. Voor leaseauto’s worden uitsluitend volledig elektrische voertuigen aangeboden. Voor dienstvoertuigen hanteren we het beleid “EV tenzij”, waarmee we gericht toewerken naar een volledig elektrisch wagenpark. Ook bij bedrijfsbusjes zetten we stappen: bij vervanging geldt het uitgangspunt dat 75% elektrisch moet zijn, tenzij dit aantoonbaar niet mogelijk is. De transitie naar elektrische mobiliteit verloopt niet overal gelijkmatig. Met name bij dienstvoertuigen en bedrijfsbusjes bereiden we monteurs en onderdelen in batches voor op de nieuwe vormen van mobiliteit. Heldere communicatie en goede begeleiding zijn hierin cruciaal om de transitie gaande te houden en onze ambities te realiseren.
Elektrische mobiliteit draagt niet alleen bij aan emissiereductie, maar is ook essentieel om toegang te behouden tot zero-emissiezones in binnensteden. Naar verwachting leidt dit beleid tot een uitstootreductie van 79% in 2030 ten opzichte van 2021.
In 2026 zetten we een stap met de introductie van een nieuw mobiliteitsbeleid, waarin duurzame en gezonde keuzes centraal staan. We stimuleren actief vervoer en schonere mobiliteit en ontmoedigen fossiele kilometers. Daarmee sturen we op het beperken van de groei van emissies uit woon-werkverkeer binnen scope 3 en op het realiseren van reductie ten opzichte van een referentiescenario zonder extra maatregelen.
Energie-efficiënte gebouwen
Onze gebouwen en het beheer daarvan blijven mede door onze energiezuinige en in enkele gevallen circulaire kantoren, een belangrijk aandachtspunt binnen onze transitie. Door onze verduurzamingsslagen van de afgelopen jaren is na een analyse gebleken dat wij al voldoen aan de CO2e-reductie benodigd onder de SBTi Buildings Criteria, richtlijnen voor vastgoed. Hierdoor is besloten om geen aparte doelstelling te zetten aangezien deze al behaald is. De CO2-emissies voortkomend uit onze gebouwen zijn wel meegenomen in de totale scope 1 en 2 doelstellingen. Voor vastgoed sluiten we aan bij de Nederlandse “Paris Proof”-norm die focust op werkelijk energieverbruik (kwh/m2) En daarmee de focus legt energie-efficiëntie. Sinds 2021 is het gasverbruik met ruim 80% afgenomen. Voor onze gebouwen en locaties zetten we in op duurzame opwek, alternatieve warmtebronnen en isolatie en elektrificatie. Hiermee willen we, ondanks de verwachte groei van ons medewerkersbestand, efficiëntievoordelen realiseren.
Benodigde Investeringenzijn vastgelegd in "Paris Proof" Roadmaps, met maatregelen en investeringen die leiden tot de gewenste energie en CO2-reductie. Deze roadmaps zijn geborgd in de meerjarenplanning van Facilities. Daarnaast integreren we onze duurzaamheidsdoelstellingen in het beheer-, aankoop- en huurbeleid van Alliander.
SF6-emissies
Zwavelhexafluoride (SF6) is een krachtig synthetisch broeikasgas. Het wordt gebruikt vanwege zijn uitstekende isolerende eigenschappen, maar emissies kunnen optreden bij productie, installatie, onderhoud en ontmanteling van installaties.
Alliander werkt aan het vervangen van oudere installaties en zet sterker in op onderhoud, mede dankzij aangescherpt beleid en een verbeterd meldingssysteem die is afgestemd met de andere netbeheerders. Nieuwe wetgeving vereist vanaf 1 januari 2026 een gefaseerde invoering van SF6-vrije installaties. Vanaf 2035 wordt het gebruik van nieuw SF6 volledig verboden. We verwachten onze doelstellingen te behalen door voortzetting van het huidige beleid, waarbij de verwachting is dat dit zal leiden tot een stabilisatie van de SF6 emissie en de daarbij horende CO2-equivalenten. Om te voorkomen dat de SF6 emissie zal toenemen, zullen ook grotere installaties gereviseerd worden. De verwachting is dat de laatste SF6 houdende installaties nog tot 2078 in het net staan.
Maatregelen ten aanzien van scope 3
Inkoop bij ketenpartners
Voor de CO2-emissies die voortkomen uit Alliander's inkoopactiviteiten, vormen onze supplier engagement-initiatieven een cruciale hefboom binnen het klimaattransitieplan. Alliander streeft ernaar dat leveranciers die gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het grootste deel van onze upstream scope 3-emissies (minimaal 80% van emissies) – binnen de categorieën purchased goods & services, capital goods en transport – zich committeren aan het stellen van science-based targets (SBTs) of een vergelijkbare klimaatdoelstelling. Dit betekent dat leveranciers uiterlijk in 2030, vijf jaar na onze eigen target setting die in 2026 begint, gecommitteerd moeten zijn aan SBTi of vergelijkbare wetenschappelijk onderbouwde doelstellingen.
Om deze doelstelling te behalen, zetten we in op gerichte dialoog, monitoring en samenwerking met leveranciers. Naast het realiseren van onze hoofddoelstelling, werken we aan de integratie van klimaatprestaties in onze inkoopcriteria en contractvoorwaarden. Deze aanpak stelt ons in staat om niet alleen onze eigen emissies te reduceren, maar ook structureel bij te dragen aan verduurzaming van de keten.
Emissies door verbranding van gedistribueerd gas bij eindgebruikers
Binnen onze klimaatdoelstelling vormen de emissies die vrijkomen bij verbranding van door ons getransporteerd gas een complex vraagstuk. Als gasnetbeheerder zijn wij wettelijk verplicht om aardgas te blijven transporteren. Tegelijkertijd vereist het SBTi-framework een CO2-reductie van ten minste 42% op scope 3-emissies in 2030 ten opzichte van het basisjaar 2021.
Door onze kerntaken versneld uit te voeren, zoals het uitbreiden van elektriciteitsnetten en het faciliteren van groen gas, kunnen wij indirect bijdragen aan een lagere aardgasvraag bij onze klanten. Wij stimuleren actief energiebesparing en de overstap naar duurzame alternatieven, maar erkennen dat dit een gezamenlijke opgave is waarin onze directe invloed beperkt is.
Vanuit dit perspectief bevinden wij ons in een spanningsveld: de omvang van deze CO2-emissies in onze keten worden grotendeels bepaald door factoren buiten onze operationele controle, zoals overheidsbeleid, marktprijzen voor energie, weersinvloeden en keuzes van eindgebruikers, terwijl wij wettelijk verantwoordelijk blijven voor het gastransport. De komende jaren vergroten wij daarom de transparantie over deze emissies en beoordelen wij expliciet waar onze invloed reëel en aantoonbaar is en waar niet. Deze duiding vormt de basis voor realistische doelstellingen en geloofwaardige reductiepaden binnen onze commitment aan het SBTi raamwerk.
Klimaatgerelateerde emissies 2025
Aanpassing van de vergelijkende cijfers in de CO2-emissies
Waar mogelijk presenteren wij kwantitatieve data in de onderstaande tabel, inclusief vergelijkende cijfers van het voorgaande jaar en het basisjaar, om context en vergelijkbaarheid te bieden. In 2025 zijn de gerapporteerde broeikasgasemissies voor 2021 en 2024 op onderdelen herberekend en gecorrigeerd. Dit betreft enerzijds aanpassingen in de vaststelling en verwerking van netverliesvolumes voor elektriciteit en gas binnen scope 1 en scope 2, en anderzijds een actualisatie van de emissiefactorenset voor de spend-based methode binnen scope 3 door de overgang van DEFRA 2011 naar DEFRA 2022.
De doorwerking verschilt per scope. Binnen scope 1 en scope 2 hangen de verschillen samen met herberekeningen en correcties in de vaststelling en verwerking van netverliesvolumes voor elektriciteit en gas, waaronder het corrigeren van volumes die eerder als administratief netverlies waren opgenomen maar alsnog aan eindgebruikers zijn gefactureerd, en met de daarbij gehanteerde uitgangspunten. Voor 2021 leidt dit ertoe dat scope 1 5 kton CO2e lager uitkomt en scope 2 11 kton CO2e lager locatiegebaseerd en 3 kton CO2e lager marktgebaseerd.
Voor 2024 komen de verschillen voort uit dezelfde systematiek, aangevuld met reconciliatiecorrecties op volumes van het voorgaande jaar, doordat initiële allocaties op basis van profielen later worden bijgesteld op basis van meterstanden. Voor nadere toelichting verwijzen wij naar noot 35 van de jaarrekening. Dit leidt ertoe dat scope 1 27 kton CO2e lager uitkomt en scope 2 12 kton CO2e lager locatiegebaseerd, terwijl scope 2 marktgebaseerd ongewijzigd blijft.
Binnen scope 3 resulteert de actualisatie van de emissiefactoren voor de spend-based methode in een hogere uitstoot van 65 kton CO2e in 2021 en 157 kton CO2e in 2024 ten opzichte van het jaarverslag 2024. De tabel hieronder laat zowel de eerder gerapporteerde cijfers als de herberekende cijfers zien.
|
ton CO2-equivalent |
Gerapporteerd 2021 |
Herberekend 2021 |
Gerapporteerd 2024 |
Herberekend 2024 |
|
Directe GHG-emissies (scope 1) |
204.031 |
199.156 |
171.525 |
144.581 |
|
Indirecte GHG-emissies (scope 2) |
||||
|
Locatiegebaseerd |
588.693 |
577.257 |
369.939 |
357.664 |
|
Marktgebaseerd |
149.065 |
146.211 |
22 |
22 |
|
Indirecte GHG-emissies upstream (scope 3) |
||||
|
C1. Ingekochte goederen en diensten |
205.830 |
218.632 |
304.192 |
321.765 |
|
C2. Kapitaalgoederen |
164.382 |
217.450 |
205.265 |
339.663 |
|
C3. Brandstof- en energiegerelateerd activiteiten |
112.019 |
112.019 |
17.318 |
17.318 |
|
C4. Upstream transport en distributie |
13.977 |
16.058 |
9.514 |
11.318 |
|
C5. Afval gegenereerd tijdens bedrijfsvoering |
2.562 |
2.562 |
2.597 |
2.597 |
|
C6. Zakenreizen |
64 |
64 |
231 |
231 |
|
C7. Woon-werkverkeer van werknemers |
1.421 |
1.421 |
2.618 |
2.618 |
|
C15. Investeringen |
6.399 |
3.101 |
4.095 |
7.438 |
|
Totaal indirecte GHG-emissies upstream (scope 3) |
506.654 |
571.307 |
545.829 |
702.948 |
|
Totaal GHG-emissies (locatiegebaseerd) |
1.299.377 |
1.347.720 |
1.087.293 |
1.205.193 |
|
Totaal GHG-emissies (marktgebaseerd) |
859.749 |
916.674 |
717.376 |
847.550 |
Trendmatige uitstoot en reductie van CO2-emissies
Alliander hanteert 2021 als referentiejaar voor de vergelijkingsgrondslag van de energie- en CO2-emissiedata. In dat jaar bedroeg de totale CO2-uitstoot van de eigen organisatie (scope 1 + 2 en scope 3 mobiliteit) 512 kton CO2 zonder verrekening van GvO's. De totale CO2-uitstoot in 2025 bedraagt 439 kton CO2 (2024: 378 kton CO2), hetgeen neerkomt op een daling van 14% ten opzichte van 2021 een verschil van 73 kton.
|
ton CO2-equivalent |
Doelstelling |
|||||
|
2021 |
2024 |
2025 |
% 2025 / 2024 |
2026 |
2030 |
|
|
Directe GHG-emissies (scope 1) |
||||||
|
Inzet aggregaten |
6.677 |
48 |
36 |
31 |
||
|
Koudemiddelen |
67 |
67 |
78 |
67 |
||
|
Gasverbruik gebouwen |
2.014 |
312 |
383 |
338 |
||
|
SF6-emissies |
1.441 |
1.920 |
1.149 |
1.033 |
||
|
Lease- en dienstauto's |
12.148 |
9.111 |
7.963 |
5.006 |
||
|
Netverlies gas administratief |
81.097 |
47.658 |
77.598 |
40.767 |
||
|
Netverlies gas technisch |
95.712 |
85.465 |
85.465 |
67.486 |
||
|
Totaal directe GHG-emissies (scope 1) |
199.156 |
144.581 |
172.672 |
19% |
114.726 |
42% |
|
Indirecte GHG-emissies (scope 2) |
||||||
|
Locatiegebaseerd1 |
||||||
|
Warmteverbruik gebouwen |
209 |
102 |
88 |
93 |
||
|
Lease- en dienstauto's |
985 |
1.733 |
2.074 |
2.346 |
||
|
Elektriciteitsverbruik gebouwen |
3.322 |
2.150 |
2.007 |
2.244 |
||
|
Elektriciteitsverbruik stations |
4.963 |
3.373 |
2.793 |
2.459 |
||
|
Netverlies elektriciteit administratief |
185.401 |
114.388 |
89.425 |
95.535 |
||
|
Netverlies elektriciteit technisch |
382.378 |
235.918 |
184.433 |
197.035 |
||
|
Totaal locatiegebaseerd |
577.257 |
357.664 |
280.820 |
-21% |
299.712 |
|
|
Marktgebaseerd2 |
||||||
|
Warmteverbruik gebouwen |
32 |
22 |
19 |
24 |
||
|
Lease- en dienstauto's |
587 |
- |
- |
- |
||
|
Elektriciteitsverbruik gebouwen |
1.566 |
- |
- |
- |
||
|
Elektriciteitsverbruik stations |
2.339 |
- |
- |
- |
||
|
Netverlies elektriciteit administratief |
53.938 |
- |
- |
- |
||
|
Netverlies elektriciteit technisch |
87.748 |
- |
- |
- |
||
|
Totaal marktgebaseerd |
146.211 |
22 |
19 |
-10% |
24 |
-100% |
|
Indirecte GHG-emissies upstream (scope 3)3 |
||||||
|
C1. Ingekochte goederen en diensten |
218.632 |
321.765 |
403.286 |
|||
|
C2. Kapitaalgoederen |
217.450 |
339.663 |
413.450 |
|||
|
C3. Brandstof- en energiegerelateerde activiteiten |
112.019 |
17.318 |
20.402 |
|||
|
C4. Upstream transport en distributie |
16.058 |
11.318 |
9.298 |
|||
|
C5. Afval gegenereerd tijdens bedrijfsvoering |
2.562 |
2.597 |
3.333 |
|||
|
C6. Zakenreizen |
64 |
231 |
214 |
|||
|
C7. Woon-werkverkeer van werknemers |
1.421 |
2.618 |
2.753 |
|||
|
C15. Investeringen |
3.101 |
7.438 |
12.005 |
|||
|
Totaal indirecte GHG-emissies upstream (scope 3) |
571.307 |
702.948 |
864.741 |
23% |
||
|
Totaal GHG-emissies (locatiegebaseerd) |
1.347.720 |
1.205.193 |
1.318.233 |
9% |
414.439 |
|
|
Totaal GHG-emissies (marktgebaseerd) |
916.674 |
847.550 |
1.037.433 |
22% |
114.751 |
|
- 1De totale uitstoot van broeikasgassen volgens de locatiegebaseerde methode wordt berekend op basis van de gemiddelde emissiefactoren van het nationale elektriciteitsnet. Dit betekent dat de CO2-uitstoot per verbruikte kWh wordt vermenigvuldigd met de gemiddelde emissiefactor van de Nederlandse energiemix, zonder rekening te houden met individuele contracten voor hernieuwbare energie zoals GvO's.
- 2De marktgebaseerde scope 2-emissie weergave toont de inzet van hernieuwbare energie door de aankoop van GvO's. Hierdoor wordt de CO2-uitstoot van het elektriciteitsverbruik teruggebracht naar 0 ton CO2-equivalent. De hoeveelheid CO2-equivalent die in 2021, 2024 en 2025 met GvO’s is gecompenseerd, bedraagt respectievelijk 1.645 kton (2021), 231 kton (2024) en 263 kton (2025). Ons doel voor 2025 is om 304 kton van ons elektriciteitsverbruik te vergroenen met GvO’s.
- 3Niet alle scope 3 categorieën zijn van toepassing op Alliander. Categorieën C8, C9, C10, C11, C12, C13 en C14 worden niet gerapporteerd omdat deze niet of beperkt voorkomen in de waardeketen van Alliander en daarom niet materieel zijn. Voor scope 3 heeft Alliander nog geen absolute doelstelling voor 2030 vastgesteld. Alliander bepaalt dit in 2026 in lijn met SBTi.
Ontwikkeling en resultaat klimaatvoetafdruk 2025
De CO2e-emissies van de eigen organisatie worden voor 95% (2024: 96%) veroorzaakt door net- en lekverliezen die grotendeels ontstaan bij het distribueren van elektriciteit en gas. We proberen elk jaar zowel onze technische als administratieve netverliezen te verminderen, onder andere door te werken met een interne CO2-prijs. Het percentage netverlies betreft een nauwkeurige benadering. Bij de totstandkoming van de CO2-voetafdruk en het energieverbruik wordt gebruikgemaakt van aannames en inschattingen. Sinds 2016 wordt de CO2-emissiefactor voor het netverlies elektriciteit berekend op basis van de inkoop van het netverlies bij onze leveranciers. Voor het jaarverslag 2025 zijn de stroometiketten van 2024 gehanteerd. Dit leidt tot een waarde van de CO2-coëfficiënt van 0,2024 kg CO2 per kWh (2024: 0,16889 kg CO2 per kWh). In 2025 werd 58% van de bruto CO2-uitstoot van de eigen organisatie veroorzaakt door netverlies elektriciteit (2024: 58%). De emissiefactor voor 2024 (0,16889 kg CO2 per kWh) is herberekend op basis van de meest recente stroometiketten. In het jaarverslag 2024 werd hiervoor 0,19318 kg CO2 per kWh gehanteerd.
Scope 1-emissies
Onze scope 1-emissies komen uit inzet van aggregaten, koudemiddelen, gasgebruik voor het verwarmen van kantoren, SF6 emissies uit schakelinstallaties, brandstofverbruik (lease- en dienstauto’s) en net en lekverliezen gas. In 2025 bedraagt de totale scope 1 uitstoot 173 kton CO2e, een toename van 28 kton ten opzichte van 2024 aangepast (145 kton CO2e). De stijging wordt voornamelijk verklaard door netverliezen gas. Dit hangt samen met een reconciliatie en bijstelling van het netverliesvolume gas over 2024. In 2024 is het netverliesvolume op basis van de meest recent beschikbare gegevens neerwaarts bijgesteld met 12 miljoen m3. Voor 2025 is de verwachting dat het netverliesvolume 7 miljoen m3 hoger uitkomt dan 2024. De emissies door net- en lekverliezen gas bedragen in 2025 163 kton CO2e. Het administratief netverlies bedraagt 78 kton CO2e (2024: 48 kton CO2e) en het technisch netverlies 86 kton CO2e (2024: 86 kton CO2e).
De uitstoot uit lease-en dienstauto’s bedraagt in 2025 8 kton CO2e (2024: 9 kton CO2e). De daling hangt samen met de verdere elektrificatie en de instroom van middelgrote elektrische voertuigen. Tegelijkertijd blijft een deel van de dieselvoertuigen nodig voor de uitvoering van de werkzaamheden. De overige scope 1 categorieën zijn in verhouding beperkt en veranderen het totaalbeeld niet wezenlijk.
Scope 2-emissies
Onze scope 2-emissies zijn afkomstig van de opwekking van ingekochte elektriciteit en warmte voor verbruik in gebouwen en stations, netverlies elektriciteit en het laden van lease en dienstauto’s. In deze paragraaf lichten wij netverlies elektriciteit toe, omdat dit bepalend is voor de ontwikkeling van scope 2. In 2025 bedraagt de totale locatiegebaseerde uitstoot 281 kton CO2e, een daling van 77 kton CO2e ten opzichte van 2024 (358 kton CO2e). De afname hangt grotendeels samen met netverlies elektriciteit.
Netverlies elektriciteit bestaat uit technisch en administratief netverlies. Technisch netverlies ontstaat bij het transport van elektriciteit in het net. Administratief netverlies hangt samen met onder meer energiefraude en het ontbreken van contracten bij aansluitingen. Het totale netverliesvolume elektriciteit is in 2025 met 52.621 MWh gedaald ten opzichte van 2024, van 1.297.428 MWh naar 1.244.807 MWh. In CO2 equivalenten (locatiegebaseerd) daalt de uitstoot door netverlies elektriciteit van 350 kton CO2e in 2024 naar 274 kton CO2e in 2025. De daling hangt samen met een lager netverliesvolume, mede door de overdracht van de hoogspanningslijn Randmeren aan TenneT begin 2025, waardoor de bijbehorende netverliezen niet langer onder Liander vallen.
Scope 2 wordt zowel locatiegebaseerd als marktgebaseerd gerapporteerd. Marktgebaseerd bedraagt de scope 2 uitstoot in 2025 afgerond 0 kton CO2e (2024 ook afgerond 0 kton CO2e). De marktgebaseerde uitstoot van ingekochte elektriciteit komt uit op nul doordat voor het volledige scope 2 elektriciteitsverbruik GvO’s zijn aangewend en geannuleerd. De bruto emissies die samenhangen met dit scope 2 elektriciteitsverbruik bedragen 231 kton CO2e in 2024 en 263 kton CO2e in 2025. Daarbinnen bedraagt de bruto marktgebaseerde uitstoot van netverlies elektriciteit 221 kton CO2e in 2024 en 253 kton CO2e in 2025. Hoewel het netverliesvolume in 2025 lager is, stijgt de bruto marktgebaseerde uitstoot vóór toerekening van GvO’s. Dit komt doordat de gemiddelde CO2 emissiefactor van de ingekochte elektriciteit voor netverlies in 2025 hoger is dan in 2024, als gevolg van een gewijzigde inkoopmix en bijbehorende stroometiketten. Wat resteert betreft warmte en bedraagt 19 ton CO2e, afgerond 0 kton CO2e.
Scope 3-ketenemissies
In 2025 komt de totale scope 3 uitstoot uit op 865 kton CO2e (2024: 703 kton CO2e), een toename van 162 kton CO2e (23%). Deze stijging wordt vrijwel volledig verklaard door categorie 1 ingekochte goederen en diensten en categorie 2 kapitaalgoederen. Op basis van de niet afgeronde waarden nemen deze twee categorieën samen toe met 156 kton CO2e, wat circa 96% van de totale stijging verklaart. Categorie 1 stijgt van 322 kton CO2e in 2024 naar 403 kton CO2e in 2025 en categorie 2 stijgt van 340 kton CO2e naar 413 kton CO2e.
Categorie 1 ingekochte goederen en diensten
De uitstoot binnen categorie 1 bedraagt in 2025 403 kton CO2e (2024: 322 kton CO2e). Voor deze categorie hanteert Alliander een spend-based methodiek, omdat gedetailleerde emissiegegevens van leveranciers veelal ontbreken.
De toename in 2025 bedraagt circa 82 kton CO2e en hangt vooral samen met hogere uitgaven in de aannemerij, passend bij een groter werkpakket voor verzwaring, uitbreiding en vervanging van het net.
Categorie 2 kapitaalgoederen
De uitstoot binnen categorie 2 bedraagt in 2025 413 kton CO2e (2024: 340 kton CO2e). Voor deze categorie wordt een gecombineerde methodiek toegepast. Een deel van de uitstoot wordt berekend op basis van volume data uit grondstofpaspoorten, gecombineerd met milieufactoren uit de Idemat database van TU Delft. Het overige deel wordt berekend via een spend-based methode op basis van DEFRA emissiefactoren, inclusief CPI-indexatie.
De toename in 2025 wordt voornamelijk verklaard door het volume deel (+45 kton CO2e). Dit hangt samen met een hogere inzet van materialen, waaronder aluminium, staal, koper en printplaten, gecombineerd met een hoger materiaalverbruik en hogere emissiefactoren per kilogram materiaal. Het spend deel neemt toe met +29 kton CO2e.
De overige scope 3 categorieën zijn in vergelijking met categorie 1 en 2 beperkt van omvang en veranderen het totaalbeeld niet wezenlijk.
Totale emissies overeenkomstig SBTi Target boundary (incl. verbranding van gedistribueerd gas bij eindgebruikers)
Naast de ESRS-rapportage van totale broeikasemissies in de tabel Trendmatige uitstoot en reductie van CO2-emissies rapporteert Alliander aanvullend een overzicht van totale emissies overeenkomstig de SBTi target boundary, ten behoeve van monitoring en transparantie. Dit overzicht omvat scope 1, scope 2 en scope 3 upstream en is aangevuld met de emissies die vrijkomen uit de verbranding door eindgebruikers van aardgas dat via het gasnet wordt getransporteerd. Omdat Alliander het aardgas niet verkoopt en geen economisch eigendom van het gas heeft, worden deze emissies niet binnen de ESRS scope 3 categorie indeling in de CO2-emissie tabel gepresenteerd, maar in een afzonderlijke tabel.
In 2025 bedragen de totale broeikasgasemissies 10.224 kton CO2e, tegen 9.708 kton CO2e in 2024, een toename van 516 kton CO2e. Deze stijging wordt grotendeels verklaard door emissies bij eindgebruikers door verbranding van via het gasnet gedistribueerd aardgas. Deze emissies nemen in 2025 toe naar 9.187 kton CO2e (90% van het totaal) ten opzichte van 8.861 kton CO2e in 2024 (91% van het totaal). De stijging hangt voornamelijk samen met een hoger getransporteerd aardgasvolume door een hogere warmtevraag als gevolg van weersinvloeden. Na temperatuurcorrectie op basis van graaddagen lag het volume in 2025 echter circa 110 miljoen m3 lager dan in 2024 (circa 2,2%), wat overeenkomt met een reductie van circa 195 kton CO2e.
Daarnaast nemen de scope 3 upstream emissies toe met circa 162 kton CO2e en stijgt scope 1 met circa 28 kton CO2e. Scope 2 blijft in beide jaren beperkt. Het ingekochte elektriciteitsverbruik is onderbouwd met GvO's voor hernieuwbare elektriciteit. In 2025 is hiervoor 263 kton CO2e ingezet, ter vergelijking 231 kton CO2e in 2024 en 165 kton CO2e in 2021.
Zie voor een nadere toelichting op scope 1, scope 2 en scope 3 (upstream) de paragraaf Klimaatgerelateerde emissies 2025.
|
Broeikasgasemissies (ton CO2e) |
2021 |
2024 |
2025 |
% 2025 / 2021 |
2030 |
|
Directe GHG emissies (scope 1) |
199.156 |
144.581 |
172.672 |
-13% |
42% |
|
Indirecte GHG emissies (scope 2 marktgebaseerd) |
146.211 |
22 |
19 |
-100% |
-100% |
|
Indirecte GHG emissies upstream (scope 3) |
571.307 |
702.948 |
864.741 |
51% |
|
|
Emissies uit verbranding getransporteerd aardgas (eindgebruikers) |
9.186.756 |
8.860.745 |
9.186.756 |
0% |
42% |
|
Totaal broeikasgasemissies marktgebaseerd (ton CO2e) |
10.103.430 |
9.708.295 |
10.224.189 |
1% |
CO2-intensiteit ratio’s
De broeikasgasintensiteit geeft de verhouding weer tussen de totale broeikasgasuitstoot en de netto-omzet voor de activiteiten in de sector distributie en transformatie van elektriciteit, NACE D35, aangevuld met distributie van gas. De ontwikkeling van de broeikasgasintensiteit wordt voornamelijk bepaald door veranderingen in de totale broeikasgasuitstoot en de netto-omzet. De uitstoot wordt daarbij vooral beïnvloed door scope 1 en 2 binnen de netbeheeractiviteiten, het volume verbranding van gedistribueerd gas bij eindgebruikers) en de indirecte emissies upstream (scope 3), met name categorie 1, ingekochte goederen en diensten, en categorie 2, kapitaalgoederen.
In 2025 is de broeikasgasintensiteit licht gedaald ten opzichte van 2024. Locatiegebaseerd daalde de intensiteit met 3% van 3.308 naar 3.210 en marktgebaseerd met 2% van 3.190 naar 3.124. De daling hangt vooral samen met de stijging van de netto-omzet van 3.043 miljoen euro naar 3.273 miljoen euro, een toename van 7,6%, terwijl de totale broeikasgasuitstoot beperkt toenam met 4% locatiegebaseerd en 5% marktgebaseerd. De toename in CO2e wordt voornamelijk veroorzaakt door emissies bij eindgebruikers door verbranding van via het gasnet gedistribueerd aardgas. Dit volgt uit een hoger getransporteerd gasvolume, grotendeels door een hogere warmtevraag als gevolg van weersomstandigheden. Hierdoor daalt de CO2e uitstoot per miljard euro omzet licht.
Wanneer de emissies bij eindgebruikers door verbranding van via het gasnet gedistribueerd aardgas buiten beschouwing worden gelaten, komen de intensiteiten uit op 403 ton CO2e per miljoen euro omzet locatiegebaseerd (2024: 396 ton, +2%) en 317 ton CO2e per miljoen euro omzet marktgebaseerd (2024: 279 ton, +14%). De stijging hangt samen met een toename van indirecte upstream emissies in scope 3 door toegenomen bedrijfsactiviteiten, met name in categorie 1 ingekochte goederen en diensten en categorie 2 kapitaalgoederen. Daarnaast nemen de directe emissies in scope 1 toe door hogere netverliesvolumes in het gasnet.
|
Broeikasgasintensiteit per netto-omzet (ton CO2eq/€ miljoen) |
2021 |
2024 |
2025 |
% verandering 2025 t.o.v. 2024 |
|
Locatiegebaseerde emissies |
636 |
396 |
403 |
2% |
|
Marktgebaseerde emissies |
432 |
279 |
317 |
14% |
CO2-emissiereductie met inzet van vergroening door GvO’s
Onderdeel van het beleid van Alliander is vergroening van netverliezen voor elektriciteit met opwek van additionele duurzame energie in Nederland. In 2025 hebben wij 253 kton CO2e van onze totale elektrische netverliezen afgedekt met GvO’s uit Nederlandse windcertificaten (2024: 230 kton CO2e). Daarnaast is in 2025 voor het elektriciteitsverbruik in onze eigen gebouwen 9 kton CO2e, overeenkomend met 23.320 MWh, als groene stroom geleverd. Voor het laden van elektrisch vervoer buiten onze gebouwen hebben wij 5.164 GvO’s ingezet, dit betreft 2 kton CO2e. In 2025 hebben we met het effectueren van gecontracteerde additionele groencertificaten 100% van het totale netverlies elektriciteit vergroend met Nederlandse windcertificaten. Alliander beoordeelt de leverancier van de certificaten aan de hand van de leverancierscriteria van haar algemene inkoopbeleid. Hiermee bereiken we dat ons netverlies CO2-arm wordt en ondersteunen we de groei van duurzame energieopwekking.
De betrouwbaarheid van ingekochte GvO's wordt gewaarborgd door VertiCer-criteria. Het systeem van GvO's is gericht op het voorkomen van dubbeltellingen in vermeden CO2-emissies. 1 MW duurzame elektriciteit staat voor 1 GvO. Indien een land een GvO exporteert naar een ander land, dan mag de vermeden emissie niet meer meetellen in nationale rapportages aan de Europese Commissie. Deze regel geldt voor alle Europese landen en met landen waarmee de Europese Commissie een duurzame doelstelling heeft afgesproken. Onze voetafdruk voor scope 2 emissies na vergroening bedraagt in 2025 0 kton CO2e (2024: 0 kton CO2e).
Geen overige CO2-compensatie o.b.v. Carbon Credits
Alliander vergroende tot 2024 alle overige emissies (na vergroening middels GvO’s) zoals netverlies voor gas, woon-werkverkeer en dienstreizen in scope 3 met (Gold Standard) Carbon Credits. Sinds 2025 worden geen Carbon Credits ingezet. Door de overstap naar het SBTi raamwerk is het gebruik van (Gold Standard) Carbon Credits niet meer relevant, aangezien deze niet zijn toegestaan.
Interne koolstofprijs
Voor het afwegen van onze investeringen op duurzaamheid werken wij met een interne CO2-prijs. Energiebesparing of het verminderen van methaanlekkages wordt op deze manier hoger gewaardeerd. In 2020 leidde Alliander de coalitie van alle netbeheerders om te komen tot een sectorbrede afspraak over (een hogere) interne CO2-beprijzing en besloten de netbeheerders om in 2021 allemaal met dezelfde CO2 -prijs van € 50 per ton CO2 te gaan rekenen en deze stapsgewijs te verhogen. In 2022 hebben de netbeheerders de interne CO2-prijs verhoogd naar € 100 per ton CO2, en per 2023 naar € 150 per ton CO2. In 2024 is deze prijs gehandhaafd op € 150 per ton CO2. Ook in 2025 is de interne CO2‑prijs ongewijzigd gebleven.
In onze aanbestedingen nemen we energieverbruik van componenten gedurende de levensduur zo veel mogelijk mee in de beoordeling. Gezien ons inkoopvolume zoeken we hierbij altijd naar verbeteringen. Door te werken met een interne CO2-prijs krijgen eigen investeringen én in te kopen componenten met een hogere CO2-reductie meer voorrang. We ervaren dat de prijsstijgingen in de energiemarkt, samen met onze specificaties gericht op energie-efficiency bij aanbestedingen in combinatie met CO2-beprijzing een duidelijk verschil maken. De intern gehanteerde koolstofprijs is een schaduwprijs en maakt geen deel uit van de financiële overzichten zoals de jaarrekening.
Gehanteerde type(n) koolstofprijs
De interne CO2-prijs van € 150 per ton CO2 maakt onderdeel uit van de Prijs van Netverlies (PvN). De PvN is een schaduwprijs en wordt gebruikt om netverlies en de bijbehorende CO2-uitstoot mee te nemen in investeringsbeslissingen en business cases. De € 150 is gebaseerd op de ‘preventieprijs voor CO2. Deze ligt boven de European Emission Trading System (ETS)-marktprijs en is tevens ‘consensus based’ binnen onze sector. In 2025 is een uitgebreidere integrale gevoeligheidsanalyse van de kernprocessen op verdere toekomstige CO2-prijsverhogingen afgerond. Hierbij is opnieuw gekeken naar de omslagpunten voor verschillende investeringen en welk niveau (hoogte van CO2 prijs) het beste past bij de gezamenlijke netbeheerders. Dit om te voorkomen dat er te veel marktverstoring plaatsvindt (uitsluiten leveranciers of juist prijsverstoringen) en dat het ten koste gaat van investeringen in het energienet ten behoeve van de energietransitie. De aanbevelingen die werden gedaan op basis van de gevoeligheidsanalyse geven geen indicatie dat de CO2-prijs op de korte termijn verhoogd dient te worden.
Grondslagen voor verslaggeving en methodologie broeikasgasemissies
Alliander rapporteert de broeikasgasemissies (GHG) in lijn met het Greenhouse Gas Protocol (GHG Protocol), zoals vereist door ESRS E1. Voor scope 1, 2 en 3 wordt de operationele controlemethode toegepast. Binnen scope 1 omvat de gerapporteerde uitstoot koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4) en zwavelhexafluoride (SF6). Alliander valt niet onder ETS bepalingen. Binnen scope 2 wordt geen biomassa ingezet voor energieopwekking, waardoor geen biogene CO2-emissies uit verbranding of bio afbraak worden gerapporteerd. Biogene emissies die samenhangen met de invoeding van groen gas vallen buiten de afbakening van onze CO2e voetafdruk en worden niet meegenomen. In 2025 is vastgesteld dat deze emissies niet materieel zijn in het kader van de SBTi accreditatie. Ten opzichte van 2024 zijn de biogene emissies nagenoeg gelijk gebleven.
Scope 2 locatiegebaseerd en marktgebaseerd
Scope 2 wordt zowel locatiegebaseerd als marktgebaseerd gerapporteerd, conform het GHG Protocol. Bij de locatiegebaseerde methode worden emissies berekend met de gemiddelde emissiefactor van het nationale elektriciteitsnet, zoals gepubliceerd op CO2emissiefactoren.nl. Bij de marktgebaseerde methode worden leveranciers en product specifieke emissiefactoren toegepast op basis van stroometiketten en leveranciersinformatie. Omdat stroometiketten betrekking hebben op het voorafgaande jaar, worden emissies in het daaropvolgende verslagjaar geactualiseerd op basis van de meest recente stroometiketten. Voor het scope 2 elektriciteitsverbruik worden GvO's aangewend en geannuleerd, waarmee de marktgebaseerde toerekening van elektriciteit als hernieuwbaar wordt onderbouwd. Scope 1 en 2 emissiefactoren en kritische schattingen
Voor scope 1 en de locatiegebaseerde scope 2 methode worden emissiefactoren gehanteerd zoals gepubliceerd op CO2emissiefactoren.nl. Voor onderdelen waarvoor ramingen en schattingen worden gebruikt, waaronder netverlies gas en netverlies elektriciteit, geldt dat de uiteindelijke meet en afrekengegevens in de sector over een langere periode kunnen worden geactualiseerd. Voor netverlies gas en netverlies elektriciteit worden volumes deels vastgesteld op basis van ramingen en later gecorrigeerd via reconciliatie. Zie noot 35 van de jaarrekening (kritische waarderingsgrondslagen).
Scope 3 uitgangspunten en datakwaliteit
De berekening van scope 3 emissies kent een grotere mate van onzekerheid dan die van scope 1 en 2. Dit komt doordat een belangrijk deel van deze emissies buiten de directe beïnvloedingssfeer van Alliander ligt en de berekening mede afhankelijk is van informatie van externe partijen. Waar primaire data ontbreekt, wordt gebruikgemaakt van secundaire data en aannames.
Methodologie per scope 3 categorie
Voor scope 3 wordt een combinatie van methoden toegepast, afhankelijk van de beschikbaarheid van data.
Uitgave gebaseerde methode (spend-based)
Wanneer fysieke data ontbreekt, worden emissies berekend op basis van inkoopuitgaven en uitgave gebaseerde emissiefactoren. Hierbij wordt in dit jaarverslag gebruikgemaakt van DEFRA 2022 emissiefactoren. De vergelijkende cijfers en het basisjaar zijn in dit jaarverslag eveneens herberekend met DEFRA 2022 emissiefactoren, zodat de reeks onderling vergelijkbaar is. In het jaarverslag 2024 is hiervoor DEFRA 2011 gebruikt. Inkoopdata in euro’s wordt omgerekend naar Britse ponden (GBP) op basis van de wisselkoers per 31 december van het betreffende rapportagejaar. De emissiefactorenset wordt geactualiseerd naar het rapportagejaar door indexatie met CPI-inflatiecijfers voor Nederland. Deze methodiek wordt toegepast voor categorie 1 ingekochte goederen en diensten en voor het spend deel van categorie 2 kapitaalgoederen, en waar relevant voor overige categorieën waarvoor fysieke data niet beschikbaar is.
Fysieke data waar beschikbaar
Waar mogelijk wordt gebruikgemaakt van fysieke data, onder meer op basis van grondstofpaspoorten en levenscyclusdata uit de Idemat database van TU Delft. Voor categorie 2 kapitaalgoederen wordt een hybride aanpak gehanteerd: voor het deel met grondstofpaspoorten worden emissies bepaald op basis van materiaalvolumes en LCA-data, en voor het overige deel wordt de spend-based methode toegepast. Om dubbeltelling te voorkomen worden uitgaven die betrekking hebben op onderdelen waarvoor grondstofpaspoorten worden gebruikt niet nogmaals meegenomen in het spend deel.
Emissies bij eindgebruikers uit gasverbruik
Emissies bij eindgebruikers uit verbranding van aardgas dat via het gasnet is getransporteerd worden berekend op basis van de totale uitgaande gasstroom en de emissiefactor voor aardgas zoals gepubliceerd op CO2emissiefactoren.nl. Deze emissies worden afzonderlijk toegelicht, omdat Alliander het gas niet verkoopt en geen economisch eigendom heeft van het gas, terwijl de uitstoot wel onderdeel is van de totale ketenemissies en de SBTi target boundary.
Uitgesloten scope 3 categorieën
Niet alle scope 3 categorieën zijn van toepassing op Alliander. Categorieën C8, C9, C10, C11, C12, C13 en C14 worden niet gerapporteerd omdat deze niet of beperkt voorkomen in de waardeketen van Alliander en daarom niet materieel zijn.
CO2 intensiteit ratio’s
De broeikasgasintensiteit op basis van de netto-omzet is berekend als de som van scope 1, scope 2 (locatiegebaseerd of marktgebaseerd) en scope 3 emissies, gedeeld door de gerapporteerde netto-omzet (zie noot 21 van de jaarrekening). Daarnaast worden afzonderlijk de emissies bij eindgebruikers uit verbranding van via het gasnet getransporteerd aardgas toegelicht.
Klimaatadaptatie
Alliander heeft de ambitie om toekomstbestendig te zijn door effectief om te gaan met de risico's en kansen die klimaatverandering met zich meebrengen. Dit omvat fysieke risico’s, bijvoorbeeld overstromingen, maar ook om bedrijfseconomische effecten zoals wijzigingen in het fiscale of wettelijk regime. Hoewel Alliander geen actuele risicoanalyse conform ESRS-vereisten heeft, is het een belangrijk thema voor ons. Klimaatrisico’s maken deel uit van het Alliander-risicoraamwerk en worden meegenomen in de jaarlijkse risicosessie met de RvB. Adaptatie omvat het aanpassen van onze infrastructuur en processen om de energievoorziening ook bij extreme weersomstandigheden betrouwbaar te laten zijn.
Impacts, risico's en kansen
Klimaatverandering zorgt voor meerdere risico’s voor onze bedrijfsmiddelen.
Risico – Verstoring in vitale energie-infrastructuur leidt tot toenemende onderhoudskosten of verlies van activa.
Risico – Verstoring in de waardeketen voor materialen (bevoorrading) die nodig zijn voor vitale energie-infrastructuur leidt tot hogere inkoopkosten.
Stakeholderverwachtingen
De intensiteit, duur, omvang en gevolgen van extreem weer lijken toe te nemen en raken soms grote gebieden, zeker ook in Europa, omliggende landen en in Nederland. Overheden werken aan calamiteitenplannen en betrekken ons bij het maken van adaptief beleid om gebieden beter bestand te maken tegen bijvoorbeeld het risico van overstroming. Kapitaalverstrekkers stellen vragen over risico’s en de mitigatie daarvan in relatie tot voorgenomen investeringen. Voor Alliander betekent het dat we te maken hebben met nieuwe en andere criteria die we in samenspraak met stakeholders toepassen en waar we tijdig op in willen spelen.
Acties
Kaderdocument klimaatadaptatie opgesteld die de aanpak, initiatieven en vervolgstappen omtrent dit thema samenvat en sturing geeft middels evaluatiecyclus. Dit wordt toegelicht in de paragraaf Risicobeheersing.
Overzicht geïdentificeerde risico's en kansen
Fysieke risico’s en kansen
Fysieke risico’s zijn vooral het gevolg van keteneffecten bij extreme weersomstandigheden en overstromingen. Dit betreft mogelijke schade aan eigen componenten of bovengrondse hoogspanningsmasten van TenneT en bovengrondse installaties van Gasunie. Gezien de lage ligging van een deel van onze verzorgingsgebieden vormt ook zeespiegelstijging een risico. Wanneer we vaker te maken krijgen met hogere temperaturen leidt dit bovendien tot meer elektriciteitsverbruik door meer koeling van huizen en bedrijven.
Transitierisico’s en kansen
Onze netwerken zijn een noodzakelijke schakel voor de transitie naar een duurzame energievoorziening. Transitiekansen gaan over de groeiende elektrificatie van de samenleving en de groei van invoeding van groen gas in onze netwerken. Transitierisico’s betreffen de noodzakelijke snelheid van realisatie van onze opgaven en de uitfasering van de gasinfrastructuur.
|
Fysieke risico's |
Mogelijke effecten |
|
Extreem weer zoals droogte, hitte, branden en grote regenval |
Schade aan infrastructuren |
|
Zeespiegelstijging |
Schade energieketen, bedrijfsmiddelen en bij klanten |
|
Stijging gemiddelde temperatuur |
Schade aan bedrijfsmiddelen |
|
Transitierisico's |
Mogelijke effecten |
|
Technologische innovatie en marktveranderingen |
Afname van aardgasdistributie in onze netwerken in combinatie met warmtetransitie op andere bronnen |
|
Veranderingen in beleid en regulering |
Kostenverdeling van energietransitie |
Impact van fysieke en transitierisico’s
Onze fysieke en transitierisico’s hebben we eind 2020 kwalitatief in beeld gebracht. De risico’s zijn bepaald op basis van een tweetal scenario's van gemiddelde mondiale temperatuurstijging. Het 1,5 graden Breyer scenario en het 4 graden scenario van het International Energy Agency, IEA. Met voor beide impactprojecties op het jaar 2100. Meegenomen zijn keten-, activa- en klantgerelateerde klimaatrisico’s. De klimaatscenario's worden gehanteerd bij de beoordeling van fysieke en transitierisico's in relatie tot onze Trendrapportage, gebruikt bij het landelijk EnergieSysteemPlan en bij de jaarlijkse risico evaluatie met bedrijfsonderdelen. Het 1,5 graden-scenario is gehanteerd omdat dit in lijn is met de aanpak van de Nederlandse overheid. In dit scenario is sprake van 100% duurzame energie in 2050: vergaande elektrificatie, decentrale opwek, hogere efficiency, grootschalige zon- en windenergietoepassing, verbeterde energieopslag en meer onafhankelijke energievoorziening.
Het 4 graden scenario is toegepast omdat dit het meest extreme pad vertegenwoordigd in termen van fysieke risico’s en klimaatadaptatie. Dit betreft een versterkt optreden van huidige trends naar bijna 4 graden opwarming in deze eeuw en 5,5 graden op langere termijn. Dit is het slechtste klimaatscenario met grote fysieke risico’s wereldwijd. In dit scenario zijn fossiele energietoepassingen en grootschalige CO2-emissies dominant. Het hoge temperatuurscenario uit de klimaatscenario-analyse gaat uit van de situatie dat fysieke risico's zich in extremere mate voordoen dan bij het lage, anderhalve graden scenario. Dit heeft impact op de snelheid waarmee het bedrijf maatregelen dient te nemen en haar activiteiten aan dient te passen. Onder meer door serieuze dreiging van extreme weereffecten en uitval van de energievoorziening. In het anderhalve gradenscenario is geïdentificeerd welke kansen voor diverse transitie technieken zoals duurzame en decentrale invoeding en opslag zich voordoen. Deze worden als relatief gunstig beoordeeld.
In het verlengde van deze studie uit 2020 wil Alliander de scenario's en bijbehorende impactanalyse herijken. Hierbij wordt onder andere voortgebouwd op de elementen die in de ESRS worden gevraagd. Dit omvat onder meer het toepassen van nieuwe klimaatscenario’s, het hanteren van verschillende en langere tijdshorizonnen, een verdere kwantificering van de impact op activa en bedrijfsactiviteiten, het uitvoeren van een weerbaarheidsanalyse en een reflectie op de mogelijke gevolgen voor de financiële overzichten in het jaarverslag (in lijn met de EU-taxonomie).
Het doel was om deze herijking in 2025 uit te voeren. Door recente ontwikkelingen, zoals de Wet Weerbaarheid Kritieke Entiteiten en een uitvraag van het ministerie rondom bovenregionale stresstesten met betrekking tot extreme regenval, is dit proces echter vertraagd.
Er zal nu worden beoordeeld in hoeverre de herijking tevens kan voldoen aan de eisen uit de Wet Weerbaarheid Kritieke Entiteiten (WWKE), waarin klimaatdreigingen en risicoanalyses een integraal onderdeel vormen. Om goed voorbereid te zijn, neemt Alliander deel aan de NEN-commissie VoorNorm toepassing klimaatscenario’s in vitale infrastructuur. Deze norm ondersteunt organisaties in het voldoen aan wettelijke eisen en bevordert een uniform beeld van klimaatrisico’s binnen de vitale infrastructuur in Nederland.
Risicobeheersing
Klimaatrisico's in relatie tot de bedrijfsvoering zijn onderdeel van de Alliander risicosystematiek. Jaarlijks vindt een actualisatie plaats van de mate waarin de organisatie deze risico's beheerst en volgt. Bedrijfsonderdelen dragen verantwoordelijkheid voor het in stand houden van bedrijfsmiddelen en mitigeren hiertoe de geïdentificeerde risico's. Fysieke en waardeketenrisico's zijn beide onderdeel van de risico-evaluatie met bedrijfsonderdelen. De uitkomsten van de risico evaluatie en het functioneren van het risicomanagement in relatie tot Klimaatrisico's worden periodiek en in ieder geval één keer per jaar besproken met het hoogste bestuursniveau. In 2024 is voor het laatst een onderzoek uitgevoerd naar de impact van klimaatverandering op de organisatie (activa en operatie) en de energievraag in de toekomst. Scope van het onderzoek was ons huidige en gewenste adaptatie vermogen. Hierbij is geen specifieke tijdhorizon toegepast, maar dit zal in een vervolg scenario analyse nog moeten worden toegevoegd. De uitkomsten van de risicosessies duiden op een risico voor beschadiging en het verloren gaan van bedrijfsmiddelen door overstroming. Effecten van droogte en hitte kunnen eveneens een risico voor (de continuïteit van) onze operatie betekenen. Ons huidige adaptatievermogen bestaat uit:
Het gebruik van weerprotocollen (toepassing op alle realisatieketens).
Bescherm- en herstelplannen om overbelasting en uitval van het net te voorkomen en weer op te schakelen zodra dat mogelijk is.
Er is een stabiele crisisorganisatie met uitgewerkte crisisplannen die regelmatig worden geoefend en betrekking hebben op de hele organisatie. Hierin zijn ook scenario's over extreem weer meegenomen.
Business continuity management plannen (toepassing op de hele organisatie).
Strategisch assetmanagement plan (SAMP) waarin de toekomstscenario's zijn uitgewerkt en de transitierisico's zijn meegenomen. Dit betreft tevens de mogelijkheden om de strategie en bedrijfsplannen nader aan te passen of af te stemmen op klimaatverandering.
Periodiek beoordeelt Alliander haar fysieke en transitierisico's in lijn met internationale standaarden en actuele inzichten. De resultaten vormen de basis voor eventuele bijstellingen in beleid en maatregelen voor Klimaatadaptatie gericht op uitvoering van efficiënte en effectieve mitigerende maatregelen. Alliander participeert in landelijke en regionale samenwerkingsverbanden. Met andere netbeheerders werken we samen in Netbeheer Nederland en stemmen af op nationaal beleid en planvorming. Onder de vlag van brancheorganisatie Netbeheer Nederland onderzoekt een werkgroep Klimaatadaptatie de potentiële fysieke effecten van klimaatverandering op netwerkcomponenten en energie-infrastructuur. Ook ontwikkelt zij aanbevelingen voor klimaatadaptieve maatregelen voor de infrastructuur. Dit is nodig om de daadwerkelijke weerbaarheid van onze organisatie nader te kunnen bepalen. Afstemming van beleid is essentieel gezien de vele afhankelijkheden en rollen in het klimaatbeleid. Verschillen tussen regio's vragen om gerichte afspraken over inzet en beleid. Alliander speelt hierop in met meerlaags adaptatiebeleid. We werken samen met regionale en lokale actoren gericht op ruimtelijke plannen en maatregelen zoals bij lokaal waterbeheer, dijken, kadeversteviging. In de ontwerpfase sluiten we aan bij integrale gebiedsontwikkeling en passen we maatregelen in. In bestaande situaties treffen we waar nodig ad hoc-maatregelen. Tenslotte participeren we in (gebieds)noodplannen en simulaties gericht op crisisbestrijding. Alle maatregelen gericht op klimaatadaptatie en onze activa zijn in 2025 samengebracht in het Klimaatadaptatie kaderdocument. Dit document vormt de basis voor alle activa-gerelateerde activiteiten die op operatie en organisatieniveau op dit thema zijn vastgelegd. Dit document wordt jaarlijks met een interne werkgroep bijgewerkt en bevat acties die in het lopende jaar verder worden uitgewerkt.
Energie
Netbeheer van energie en gas betekent dat er dagelijks zeer grote volumes energie door onze netwerken stroomt. Een heel groot deel van ons energieverbruik hangt hiermee samen. Alliander is verantwoordelijk voor het energieverlies dat veroorzaakt wordt door het snel toenemend transport van energie van het deel van de transportnetten dat zij beheert. Per 2025 gaat het om een netverlies van 1.245 GWh (2024: 1.297 GWh) elektriciteit en netverlies van 49 miljoen m3 (2024: 32 miljoen m3) gas. Daarnaast verbruiken wij energie in onze eigen bedrijfsvoering, namelijk elektriciteit en gas in gebouwen en op locaties, en energie voor mobiliteit in de vorm van brandstoffen en het laden van het eigen wagenpark.
Transitie en eigen energiegebruik
Alliander wil een bijdrage leveren aan de energietransitie door alle klanten onder gelijke condities toegang te geven tot duurzame energie. Zo hebben we in 2025 in totaal 10.518 MW (2024: 10.077 MW) vermogen aan zon- en windcapaciteit gefaciliteerd op onze netwerken. Daarbij willen we de maatschappelijke kosten van deze transitie zo laag mogelijk houden. Klimaatverandering maakt dat het (groeiende) gebruik van energie uiteindelijk afkomstig zal moeten zijn van enkel hernieuwbare vormen als wind, zon, waterkracht of duurzame warmtebronnen. Onze bijdrage aan de energietransitie en een fossielvrije energievoorziening maakt onderdeel uit van onze strategie en is daarmee onze belangrijkste maatschappelijke pijler. Ten tweede werken we binnen de grenzen van de planeet waarmee we onze strategie en businessdoelen afstemmen op het anderhalve graad-scenario van het klimaatakkoord van Parijs. Hiertoe verduurzamen we ons eigen elektriciteitsgebruik en werken we aan een circulaire bedrijfsvoering.
Impacts, risico’s en kansen
Positieve impact – De creatie van infrastructuur ten behoeve van elektrificatie en het gebruik van hernieuwbare energie draagt positief bij aan de energietransitie.
Risico – De afname van gasverbruik en het aantal gasaansluitingen vergroot de kosten per gasaansluiting en verlaagt de omzet uit gasverbruik.
Risico – Oplopende uitgaven voor noodzakelijke netinvesteringen leiden tot mogelijke financieringstekorten.
Kans – Klimaatafspraken vergroten de vraag naar warmteaansluitingen, wat leidt tot hogere omzet.
Kans – Introductie van nieuwe technieken leidt tot hogere omzet en kostenvoordelen.
Energieconsumptie en energiemix
Totale energieverbruik gerelateerd aan eigen operaties
Alliander heeft doelstellingen voor duurzaam en efficiënt energiegebruik voor haar bedrijfsvoering geformuleerd. Tenminste 10% van het elektriciteitsgebruik van onze gebouwen wordt gedekt door eigen opwekking van hernieuwbare elektriciteit op de locatie middels PV-installaties (2.193 MWh in 2025). Het resterende verbruik van de elektriciteit voor gebouwen wordt ingekocht. Het stroometiket hiervan geeft een waarde van 380 gram CO2 per kWh. Alle kantoorgebouwen van Alliander voldoen aan de criteria voor label A of B, conform het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Ons totale energieverbruik steeg met 7% van 1.687.361 naar 1.798.055 megawattuur. Deze toename was voornamelijk het gevolg van een toename van het administratief netverlies en gasverbruik in ons netwerk. Ons totale aandeel hernieuwbare energie verminderde met 10 procentpunten, van 78% naar 71%. De vergelijkende cijfers voor 2024 zijn aangepast naar aanleiding van een herijking van de netverliezen voor gas en elektriciteit. Voor netverlies gas en netverlies elektriciteit worden volumes deels vastgesteld op basis van ramingen en later gecorrigeerd via reconciliatie. Zie voor meer uitleg noot 35 van de jaarrekening (kritische waarderingsgrondslagen). Het netverliesvolume voor gas is daarbij bijgesteld naar 116.823 MWh en dat voor elektriciteit naar 45.464 MWh. Als gevolg hiervan is het totale energieverbruik over 2024 gecorrigeerd van 1.849.648 MWh naar 1.687.361 MWh, een aanpassing van 162.287 MWh.
|
Energieverbruik en energiemix |
2025 |
2024 |
|
Brandstofverbruik uit kolen en kolenproducten (MWh) |
- |
- |
|
Brandstofverbruik uit ruwe olie en petroleumproducten (MWh) |
45.503 |
51.381 |
|
Brandstofverbruik uit aardgas (MWh) |
476.098 |
311.297 |
|
Brandstofverbruik uit andere fossiele bronnen (MWh) |
- |
- |
|
Verbruik ingekochte of verworven elektriciteit, warmte, stoom en koeling uit fossiele bronnen (MWh) |
400 |
378 |
|
Totaal verbruik fossiele energie (MWh) |
522.002 |
363.057 |
|
Aandeel fossiele bronnen in totale energieverbruik (%) |
29% |
22% |
|
Verbruik uit nucleaire bronnen (MWh) |
- |
- |
|
Aandeel verbruik uit nucleaire bronnen in totale energieverbruik (%) |
0% |
0% |
|
Brandstofverbruik uit hernieuwbare bronnen, incl. biomassa (ook industrieel en gemeentelijk afval van biologische oorsprong, biogas, waterstof uit hernieuwbare bronnen enz.) (MWh) |
- |
- |
|
Verbruik ingekochte of verworven elektriciteit, warmte, stoom en koeling uit hernieuwbare bronnen (MWh) |
1.273.861 |
1.323.078 |
|
Verbruik zelfopgewekte hernieuwbare energie uit andere bronnen dan brandstof (non-fuel) (MWh) |
2.193 |
1.226 |
|
Totaal verbruik hernieuwbare energie (MWh) |
1.276.053 |
1.324.305 |
|
Aandeel hernieuwbare bronnen in totale energieverbruik (%) |
71% |
78% |
|
Totale energieverbruik (MWh) |
1.798.055 |
1.687.361 |
Energie-intensiteit per netto-omzet
De energie-intensiteitsratio is gebaseerd op het totale energieverbruik binnen scope 1 en 2. Hieronder vallen het gas en elektriciteitsverbruik van gebouwen, het brandstofverbruik voor mobiliteit en aggregaten, het elektriciteitsverbruik van stations en laadpalen en de netverliezen van elektriciteit en gas.
Het totale energieverbruik hangt samen met onze netbeheeractiviteiten. De energie-intensiteitsratio wordt berekend als het totale energieverbruik gedeeld door de netto-omzet. Voor de netto-omzet verwijzen wij naar noot 21 van de jaarrekening.
De energie-intensiteitsratio is in 2025 licht gedaald van 554 naar 549 MWh per € miljoen netto-omzet. De netto-omzet steeg van € 3.043 miljoen naar € 3.273 miljoen (circa 8%), terwijl het totale energieverbruik toenam van 1.687.361 MWh naar 1.798.055 MWh (circa 7%). De toename van het energieverbruik hangt vooral samen met hogere administratieve netverliesvolumes gas. Dit hangt onder meer samen met variaties in luchtdruk bij gasmetingen en met kouder weer in 2025 ten opzichte van 2024. Tegelijkertijd daalden de netverliesvolumes elektriciteit. Tegelijkertijd daalden de netverliesvolumes elektriciteit. Doordat de netto-omzet sterker stijgt dan het totale energieverbruik, neemt het energieverbruik per € miljoen omzet licht af.
|
Energieverbruik en energie-intensiteit (D35) |
2025 |
20241 |
|
Totaal energieverbruik (MWh) |
1.798.055 |
1.687.361 |
|
Omzet (€ miljoen) |
3.273 |
3.043 |
|
Energie-intensiteit (MWh/€ miljoen omzet) |
549 |
554 |
- 1De energie-intensiteitsratio over 2024 is herberekend als gevolg van de herijking van de netverliezen voor gas en elektriciteit zoals toegelicht in de paragraaf Totale energieverbruik gerelateerd aan eigen operaties. Daardoor is de ratio aangepast van 608 naar 554 MWh per € miljoen netto-omzet.
Toelichting op kengetallen EU-taxonomie voor sectoren met hoog energieverbruik Alliander
Per 2025 bedraagt de netto-omzet uit activiteiten in sectoren met een hoge klimaatimpact, zoals vastgesteld in de EU-taxonomie, € 703 miljoen (2024: € 709 miljoen). Deze omzet is hoofdzakelijk afkomstig uit de aardgassector. Daarnaast is de netto-omzet uit activiteiten die niet onder de hoge klimaatimpact sectoren vallen, eveneens in lijn met de EU-taxonomie, vastgesteld op € 2.570 miljoen (2024: € 2.334 miljoen). Dit bedrag is voornamelijk gerealiseerd in de distributie van elektriciteit. Beide activiteiten vallen onder Nace code 35.